Als ik dit schrijf, is het bijna 29 september, de dag waarop de Kerk het feest viert van de heilige Aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël. We geloven dat ze bestaan. We geloven dat er een geestelijke wereld is, waar zij leven bij God. Een wereld, waarin ook de heiligen en allen die in God zijn ontslapen, zoals de Bijbel zegt, nu al leven als engelen, wachtend op de bekroning van hun eeuwig geluk bij de opstanding van de doden, als ze opnieuw bekleed zullen worden met een onvergankelijk vergeestelijkt lichaam. Waar komt het geloof in engelen vandaan? Ik zal er iets over zeggen.
In het begin schiep God de hemel en de aarde, zegt het boek Genesis. Door Gods wil en woord ontstond alles wat bestaat. In één scheppingsact, de oerknal zo u wilt, ontstond tegelijk het zichtbare, materiële universum én het onzichtbare, geestelijke universum. Je zou het kunnen zien als de voor- en achterkant van dezelfde geschapen werkelijkheid. Dit geloof is niet onredelijk of in strijd met de wetenschap. Integendeel, steeds meer wetenschappers keren zich af van het materialistische, ééndimensionale wereldbeeld, dat de geest ziet als product van de materie. Nieuwe inzichten over de 'onbepaaldheid' van materie, en over de invloed van de menselijke geest hierop, komen steeds dichter bij wat alle religies altijd al beweerd hebben: de géést is primair en drukt zich uit in de materie.
We leven niet in een ééndimensionale wereld leert het katholieke geloof. Er is een andere, bovennatuurlijke werkelijkheid, die zich weerspiegelt in wat gebeurt op aarde, vooral in de mens. Ook deze bovennatuurlijke wereld is vol met leven. Voor onze kennis hiervan kunnen we bouwen op het getuigenis van ontelbare heiligen, mystici en zieners, alle eeuwen door. Maar bovenal kunnen we putten uit de heilige Schrift, de geïnspireerde bundeling van duizenden jaren wijsheid en ervaring van mensen met God en met de geestelijke wereld. We lezen over “kosmische heerschappijen, machten en krachten” over “hemelse koren van cherubijnen en serafijnen, over engelen en demonen”.
Tobit
En soms is er opeens een opening, raken beide werelden elkaar. Paulus mocht het ooit ervaren. “Ik werd opgenomen in de derde hemel”, schrijft hij, “binnen of buiten mijn lichaam, ik weet het niet, en ik werd getuige van onuitspreekbare dingen”. En hij was niet de enige. De Bijbel verhaalt talloze malen over wonderlijke en troostrijke ontmoetingen van mensen met de hemel en met Gods engelen. Ontroerend vind ik altijd het verhaal van de jonge Tobias, die een lange en gevaarlijke reis moet maken en dan een onbekende vreemdeling ontmoet die met hem mee trekt. Deze redt hem uit vele gevaren, brengt hem uiteindelijk veilig thuis en geneest dan nog zijn blinde vader. Tenslotte, vóór hij verdwijnt, noemt hij zijn naam: “Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden van de heiligen opdragen en die toegang hebben tot voor de heerlijke troon van God”. Als u het zelf eens wilt lezen, u vindt het in het boek Tobit.
Of leest u ook eens het mooie evangelie van Lucas over de aartsengel Gabriél, die gezonden werd naar een huisje in Nazareth. Maria is alleen in gebed als de engel plotseling voor haar staat en zegt: “Verheug u, Begenadigde, de Heer is met U”. “De engel,” schrijft paus Benedictus, “noemt haar niet bij haar aardse naam, Maria, maar bij haar goddelijke naam, zoals ze vanaf het begin was gezien en gekend door God: 'Gratia plena'... 'Geliefde' in het Grieks. De heilige Origenes stelt vast dat zo'n titel nog nooit aan een menselijk wezen was gegeven, en dat het geen parallel heeft in de gehele heilige Schrift”. Hier is nog veel over te zeggen, maar dat bewaar ik voor later.
Tijd van nood
En dan de heilige aartsengel Michaél. U vindt hem op vele plaatsen in het Oude en het Nieuwe Testament. Een bijzondere rol wordt hem toegeschreven in de laatste tijden, onder andere door de profeet Daniël: “In die tijd zal de grote vorst Michaël opstaan om de kinderen van je volk te beschermen. Want het zal een tijd van nood zijn, zoals er nooit eerder is geweest, zolang er volkeren bestaan.” Rond 1900 had paus Leo XIII een angstwekkende droom, die hem tot de overtuiging bracht dat die tijd niet ver meer is, en hij verplichte de gehele kerk om na iedere heilige mis het gebed tot de heilige Michaël te bidden. De gewoonte is helaas verloren gegaan, maar nu zeker niet minder nodig dan toen.
Maar niet alleen in de Bijbel, ook in de kerkgeschiedenis zijn de engelen in overvloed te vinden. Het is de moeite waard om eens de levens van de heiligen te bestuderen. U vindt er vele verbluffende voorbeelden. Het was ook een engel, waarschijnlijk Michaël, die de kinderen van Fatima voorbereidde op de ontmoeting met de hemelse Moeder en op het zogenoemde 'zonnewonder'. Het werd door meer dan 50.000 mensen gezien, gelovig en ongelovig, en van tevoren exact aangekondigd: 13 oktober 1917, tegen het middaguur. Vele sceptici gaven zich toen gewonnen. U kunt het in kranten en boeken uit die tijd allemaal precies terugvinden.
De ‘Vreze des Heren’
Een Haarlemse arts heeft ooit ervaringen van 'gewone' mensen met engelen verzameld in een boek: Een engel op je pad. Het blijken er ontelbare te zijn, niet alleen van verschijningen, maar ook van wonderlijke reddingen. Een aardig voorbeeld is de ervaring van Grietje Klaas uit Zaandam in het jaar 1672, in onze vaderlandse geschiedenis bekend als het 'rampjaar'. De republiek werd in dat jaar plotseling aangevallen door legers uit Engeland, Frankrijk en Duitsland tegelijk. Holland had wel een sterke vloot, maar een zwak leger. Uit die tijd stamt de spreuk: “De regering radeloos, het land reddeloos, het volk redeloos”.
Grietje ligt met bezwaard gemoed in bed, denkend aan de komende oorlog. Dan ziet ze ineens naast haar bedstede een schone jongeling staan, zo lieflijk dat haar hart opspringt van vreugde. Zijn kleed is wit en lang, tot aan de voeten. Dan buigt hij zijn armen in een boog als bij een omarming, en zegt: “Zo zal God Holland bewaren”. En hij vervolgt, psalm 34 citerend: “De Engel des Heren legert zich rondom degenen, die Hem vrezen”. Dan is hij weg. Inderdaad weten we uit de geschiedenis dat het allemaal wonderlijk goed is afgelopen.
Of God ons land toen bijzonder beschermd heeft, dat laat ik aan uw eigen oordeel over. Het volk in die tijd was in het algemeen nog zeer godsvruchtig. Of 'de vreze des Heren' in onze tijd nog sterk genoeg is om bij een nieuwe bedreiging ons volk te bewaren, dat mag u ook zelf beoordelen. Ik heb er een hard hoofd in.
”
+ Mgr. dr. Jozef M. Punt
Bisschop van Haarlem
29 september 2007